Johannes Passion       Kerk       Contact       Info       Kaarten
Johannes Passion
Bach
Koor
Orkest
Solisten
Home

De Johannes Passion van Bach

Johann Sebastian Bach componeerde zijn Johannes Passion voor de Vesperdienst van Goede Vrijdag 1724 in Leipzig. Hij was in deze Lutherse stad een jaar eerder aangesteld als cantor van de Thomaskerk en in die hoedanigheid belast met het componeren en uitvoeren van muziek voor de kerkdiensten. Bach schreef onder meer voor iedere zondag een nieuw meerdelig werk voor koor, orkest en solisten. Deze cantates werden net als de Johannes Passion onder zijn leiding uitgevoerd door leerlingen van het internaat dat aan de kerk verbonden was. Voor een belangrijke viering als Goede Vrijdag verlangde het kerkbestuur van Bach een grootschalige compositie. 
De Johannes Passion staat in een rijke traditie. Het was al vanaf de vierde eeuw een gebruik om tijdens de Goede Week het lijdensverhaal van Christus, zoals verhaald door de vier Evangelisten, in de kerk voor te dragen. Naast een verteller kregen de belangrijkste personages een eigen rol, eerst gesproken, later gezongen. Het meerstemmig koor werd toegevoegd om een groep mensen zoals een woedende menigte of een groep soldaten te verklanken (de zogenaamde turbakoren). Na de reformatie verving in de Lutherse kerk een Duitse tekst het Latijn en zong het koor ook kerkliederen (koralen) die op de handeling reageren. Het koor symboliseerde de kerkgemeente die de melodieën van de koralen kende. Onder invloed van de Italiaanse opera werden in de zeventiende eeuw beschouwende liederen voor solisten op een nieuw gedichte tekst (aria’s) aan het evangelieverhaal toegevoegd. Tevens streefde men naar de dramatische eenheid van de opera wat botste met de onveranderlijke evangeliën. Het bijbelwoord raakte steeds verder op de achtergrond ten gunste van nieuwe passieteksten.

 Leipzig was een behoudende stad in geloofszaken en het bestuur van de Thomaskerk zag met lede ogen aan dat de passie steeds meer op de wereldlijke opera ging lijken. Muziek diende boven alles het verkondigen van het geloof en niet ter vermaak. Maar toen de kleinere kerken van Leipzig met groot succes de operateske passie opvoerden, gingen de kerkbestuurders overstag. De moderne vorm met aria’s werd toegestaan mits de evangelietekst behouden bleef.

 Bach nam in zijn Johannes Passion dan ook de hoofdstukken achttien en negentien uit het Johannesevangelie als uitgangspunt. In het eerste deel van de passie wordt Christus verraden, gearresteerd en ondervraagd, terwijl Petrus hem drie maal verloochent. In het tweede deel verschijnt Christus voor Pilatus die hem uiteindelijk uitlevert aan de Joden. Christus wordt gekruisigd en sterft. De evangelist (tenor) zingt verhalend de bijbeltekst afgewisseld door de personages in het verhaal zoals Christus (een kalme, soevereine bas), Petrus, Pilatus, dienaren maar ook het volk in de spectaculaire turbakoren.

 In Bachs tijd stond de componist voor de taak om zijn publiek te ‘docere et movere’, te onderrichten en ontroeren. Net als in de retorica, de kunst der welsprekendheid, stonden hem allerlei vaste figuren ter beschikking om de inhoud van de tekst door de muziek te verduidelijken (docere). Het doel was verder om de luisteraar met behulp van de figuren in de passende gemoedstoestand te brengen (movere). Bach beeldt in de recitatieven van de evangelist kunstig dramatisch belangrijke woorden uit. Zo trekt Petrus zijn zwaard op een hoge, scherpe toon en wanneer hij het wapen terug in de schede steekt, klinkt er een dalend melodisch lijntje; de kou in het paleis van de hogepriester onderstreept Bach met een ijzig hoge noot waarna de aanwezigen zich warmen bij een behaaglijk groepje noten. Maar ook de sobere begeleiding van orgel en cello kan de inhoud van de tekst emotioneel versterken door relevante momenten te voorzien van opvallende akkoordverbindingen. Wanneer de evangelist bijvoorbeeld de verrader Judas of de verloochening van Petrus noemt, klinken er wrange akkoorden.

 Het koor overweegt in de koralen het vertelde verhaal. Daarvoor koos Bach toepasselijke traditionele kerkliederen. De stijl van de koralen is homofoon, wat wil zeggen dat het niet gaat om de zelfstandigheid van de stemmen maar om hun samenklank. Ondanks hun eenvoudige karakter weet Bach ook in de koralen met subtiele middelen de inhoud van de tekst uit te diepen. In het eerste koraal bijvoorbeeld, daalt de baslijn in kleine stapjes boven wrange samenklanken om zo de gevoelswaarde van het woord ‘Marterstrasse’ (lijdensweg) aan te duiden.

 Niet alleen het koor reageert op de handeling. Ook de aria’s van de solisten accentueren bepaalde facetten van het passieverhaal. De teksten zijn afkomstig uit bestaande passies die door Bach en mogelijk ook door een dichter bewerkt zijn. De vorm van de aria’s is ontleend aan de Italiaanse opera van die tijd. Na een solo-instrumentale introductie die telkens als een refrein terugkeert, zet de zanger in (A). Er volgt een contrasterend gedeelte (B) waarna het eerste deel weer herhaald wordt (A). De begeleiding noteerde Bach in het systeem van de basso continuo: een baslijn met cijfers die de akkoorden en hun liggingen zodanig aanduidden, dat deze improviserenderwijs kunnen worden uitgevoerd door orgel, klavecimbel of luit. In de aria’s is naast de gedetailleerde uitbeelding van woorden ook het totale emotionele karakter van belang. De componist moet het affect dat de tekst oproept op de luisteraar overbrengen. De eerste twee aria’s in de Johannes Passion zijn illustratief: zo droevig als de eerste aria klinkt door de klagende hobo’s, de toonherhalingen in het continuo en de expressieve zang van de alt, zo blijmoedig is de tweede aria door de opgewekte fluiten en sopraan en het lichtvoetige continuo. De muziek drukt zo het tekstinhoudelijke verschil tussen beide aria’s uit.

Bach betrekt telkens weer met groot vernuft tekst en muziek op elkaar. In het openingskoor echter, misschien wel het indrukwekkendste deel uit de hele Johannes Passion, overtreft hij zichzelf. De combinatie van een duistere, herhalende bastoon en vloeiende strijkers tegenover schrijnende tonen in de blazers roept een beklemmende sfeer op terwijl het koor Christus aanroept. In de details klinkt onder andere bij het woord ‘Niedrigkeit’ een dalende toonreeks, bij ‘Verherrlicht’ daarentegen een stijgende. Maar Bach gaat nog een stap verder: de muziek bevat een symbolische, theologische betekenis. De standvastige bas personifieert in deze interpretatie God, de smartelijke blazers de lijdende Christus en de wervelende strijkers de Heilige Geest. Het knappe nu is dat Bach al deze betekenislagen weet te combineren tot een weefsel van stemmen en zowel betekenis als zeer aangrijpende muziek genereert.

 Voor een moderne luisteraar zal lang niet alle betekenis van Bachs Johannes Passion direct uit de muziek af te leiden zijn. Het is ook zeer goed mogelijk te genieten van het werk zonder al deze bagage. Toch loont het zich om al luisterend telkens nieuwe, onvermoede dieptes te willen ontdekken. Geleerdheid en ontroering gaan juist bij Bach hand in hand.