|
De Johannes Passion staat in een rijke
traditie. Het was al vanaf de vierde eeuw een gebruik om tijdens de Goede Week
het lijdensverhaal van Christus, zoals verhaald door de vier Evangelisten, in de
kerk voor te dragen. Naast een verteller kregen de belangrijkste personages een
eigen rol, eerst gesproken, later gezongen. Het meerstemmig koor werd toegevoegd
om een groep mensen zoals een woedende menigte of een groep soldaten te
verklanken (de zogenaamde turbakoren). Na de reformatie verving in de Lutherse
kerk een Duitse tekst het Latijn en zong het koor ook kerkliederen (koralen) die
op de handeling reageren. Het koor symboliseerde de kerkgemeente die de melodieën
van de koralen kende. Onder invloed van de Italiaanse opera werden in de
zeventiende eeuw beschouwende liederen voor solisten op een nieuw gedichte tekst
(aria’s) aan het evangelieverhaal toegevoegd. Tevens streefde men naar de
dramatische eenheid van de opera wat botste met de onveranderlijke evangeliën.
Het bijbelwoord raakte steeds verder op de achtergrond ten gunste van nieuwe
passieteksten.
Leipzig was een behoudende stad in
geloofszaken en het bestuur van de Thomaskerk zag met lede ogen aan dat de
passie steeds meer op de wereldlijke opera ging lijken. Muziek diende boven
alles het verkondigen van het geloof en niet ter vermaak. Maar toen de kleinere
kerken van Leipzig met groot succes de operateske passie opvoerden, gingen de
kerkbestuurders overstag. De moderne vorm met aria’s werd toegestaan mits de
evangelietekst behouden bleef.
Bach nam in zijn Johannes Passion dan
ook de hoofdstukken achttien en negentien uit het Johannesevangelie als
uitgangspunt. In het eerste deel van de passie wordt Christus verraden,
gearresteerd en ondervraagd, terwijl Petrus hem drie maal verloochent. In het
tweede deel verschijnt Christus voor Pilatus die hem uiteindelijk uitlevert aan
de Joden. Christus wordt gekruisigd en sterft. De evangelist (tenor) zingt
verhalend de bijbeltekst afgewisseld door de personages in het verhaal zoals
Christus (een kalme, soevereine bas), Petrus, Pilatus, dienaren maar ook het
volk in de spectaculaire turbakoren.
In Bachs tijd stond de componist voor
de taak om zijn publiek te ‘docere et movere’, te onderrichten en ontroeren.
Net als in de retorica, de kunst der welsprekendheid, stonden hem allerlei vaste
figuren ter beschikking om de inhoud van de tekst door de muziek te
verduidelijken (docere). Het doel was verder om de luisteraar met behulp van de
figuren in de passende gemoedstoestand te brengen (movere). Bach beeldt in de
recitatieven van de evangelist kunstig dramatisch belangrijke woorden uit. Zo
trekt Petrus zijn zwaard op een hoge, scherpe toon en wanneer hij het wapen
terug in de schede steekt, klinkt er een dalend melodisch lijntje; de kou in het
paleis van de hogepriester onderstreept Bach met een ijzig hoge noot waarna de
aanwezigen zich warmen bij een behaaglijk groepje noten. Maar ook de sobere
begeleiding van orgel en cello kan de inhoud van de tekst emotioneel versterken
door relevante momenten te voorzien van opvallende akkoordverbindingen. Wanneer
de evangelist bijvoorbeeld de verrader Judas of de verloochening van Petrus
noemt, klinken er wrange akkoorden.
Het koor overweegt in de koralen het
vertelde verhaal. Daarvoor koos Bach toepasselijke traditionele kerkliederen. De
stijl van de koralen is homofoon, wat wil zeggen dat het niet gaat om de
zelfstandigheid van de stemmen maar om hun samenklank. Ondanks hun eenvoudige
karakter weet Bach ook in de koralen met subtiele middelen de inhoud van de
tekst uit te diepen. In het eerste koraal bijvoorbeeld, daalt de baslijn in
kleine stapjes boven wrange samenklanken om zo de gevoelswaarde van het woord
‘Marterstrasse’ (lijdensweg) aan te duiden.
Niet alleen het koor reageert op de
handeling. Ook de aria’s van de solisten accentueren bepaalde facetten van het
passieverhaal. De teksten zijn afkomstig uit bestaande passies die door Bach en
mogelijk ook door een dichter bewerkt zijn. De vorm van de aria’s is ontleend
aan de Italiaanse opera van die tijd. Na een solo-instrumentale introductie die
telkens als een refrein terugkeert, zet de zanger in (A). Er volgt een
contrasterend gedeelte (B) waarna het eerste deel weer herhaald wordt (A). De
begeleiding noteerde Bach in het systeem van de basso continuo: een baslijn met
cijfers die de akkoorden en hun liggingen zodanig aanduidden, dat deze
improviserenderwijs kunnen worden uitgevoerd door orgel, klavecimbel of luit. In
de aria’s is naast de gedetailleerde uitbeelding van woorden ook het totale
emotionele karakter van belang. De componist moet het affect dat de tekst
oproept op de luisteraar overbrengen. De eerste twee aria’s in de Johannes
Passion zijn illustratief: zo droevig als de eerste aria klinkt door de klagende
hobo’s, de toonherhalingen in het continuo en de expressieve zang van de alt,
zo blijmoedig is de tweede aria door de opgewekte fluiten en sopraan en het
lichtvoetige continuo. De muziek drukt zo het tekstinhoudelijke verschil tussen
beide aria’s uit.
Bach betrekt telkens weer met groot vernuft
tekst en muziek op elkaar. In het openingskoor echter, misschien wel het
indrukwekkendste deel uit de hele Johannes Passion, overtreft hij zichzelf. De
combinatie van een duistere, herhalende bastoon en vloeiende strijkers tegenover
schrijnende tonen in de blazers roept een beklemmende sfeer op terwijl het koor
Christus aanroept. In de details klinkt onder andere bij het woord
‘Niedrigkeit’ een dalende toonreeks, bij ‘Verherrlicht’ daarentegen een
stijgende. Maar Bach gaat nog een stap verder: de muziek bevat een symbolische,
theologische betekenis. De standvastige bas personifieert in deze interpretatie
God, de smartelijke blazers de lijdende Christus en de wervelende strijkers de
Heilige Geest. Het knappe nu is dat Bach al deze betekenislagen weet te
combineren tot een weefsel van stemmen en zowel betekenis als zeer aangrijpende
muziek genereert.
Voor een moderne luisteraar zal lang
niet alle betekenis van Bachs Johannes Passion direct uit de muziek af te leiden
zijn. Het is ook zeer goed mogelijk te genieten van het werk zonder al deze
bagage. Toch loont het zich om al luisterend telkens nieuwe, onvermoede dieptes
te willen ontdekken. Geleerdheid en ontroering gaan juist bij Bach hand in hand.
|