Muziekstuk

Messiah

De Messiah (HWV 56) ontstond op een keerpunt in Händels leven, en op initiatief van Charles Jennens (1700-1773) die als librettist al mede verantwoordelijk was voor het onverwachte succes van Händels Bijbelse oratoria Saul en Israël in Egypt in 1738. Jennens, de gefortuneerde aristocraat en cultuurliefhebber, zag met lede ogen hoe Händels op Italiaanse opera’s berustende populariteit na 25 jaar tanende was bij het verwende Londense publiek. Deidamia beleefde in 1741 slechts drie uitvoeringen en zou Händels laatste opera worden.
Terwijl de inmiddels 56-jarige Händel een sabbatical jaar overwoog en dankbaar de uitnodiging had aanvaard om het concertseizoen 1741-42 in Dublin door te brengen, presenteerde Jennens hem in de zomer van 1741 het libretto voor de Messiah (zonder het lidwoord the in de titel), een tekst die Händel terstond, in een voor zijn doen gebruikelijk tempo, binnen drie weken op muziek zette, volgens zijn eigen aantekeningen ‘begonnen op 22 augustus en klaar op 12 September.
Händel vertrok vervolgens naar Dublin waar de Messiah in première ging op dinsdagmiddag 13 april 1742, in de week voor Pasen, in Mr Neale’s Great Musick Hall in Fishamble Street. Het concert vond plaats ten behoeve van diverse charitatieve instellingen zoals The Musical Society for the Relief of Imprisoned Debtors. ‘Verzoeke geen zwaarden en hoepelrokken, hoe meer plaats, hoe meer opbrengst voor de goede doelen.’ Het concert bracht £ 400,- op, en voor de componist een groot succes onder het minder verwende Ierse publiek. Een jaar later was de ontvangst te Londen (23 maart 1743) een stuk koeler; de Messiah werd er nog enkele malen uitgevoerd maar pas in 1752 ontstaat de traditie van uitvoeringen op dinsdag en donderdag in de Stille Week, in het Covent Garden Opera House, en één kort na Pasen, voor liefdadige doeleinden.
Tot aan zijn dood in 1759 dirigeerde Händel de Messiah 56 keer; daartoe paste hij de partituur regelmatig aan de verschillende omstandigheden aan, zoals de beschikbaarheid van bepaalde solisten of instrumenten. En natuurlijk verbeterde of verving hij soms gedeelten. Uitvoerders moeten daarom kiezen of zij latere versies als verbeteringen, dan wel als noodgedwongen aanpassingen aan andere omstandigheden willen beschouwen: er bestaat geen definitieve Messiah, men kan verschillende uitvoeringen horen, al groeit er een zekere consensus.
Na enkele tientallen jaren en de opkomst van de choral societies ontwikkelde de Messiah zich tot een Engels cultureel icoon bij uitstek, en het succesnummer van korenfestivals all-over-the-year. Daarmee werd het niet alleen Händels populairste werk maar ook het eerste stuk in de muziekgeschiedenis met een ononderbroken uitvoeringstraditie; grote werken van Bach of Monteverdi zijn immers lange tijd van het repertoire verdwenen geweest.

Bezetting

Voor een zo groot en beroemd werk heeft de Messiah een bescheiden bezetting: er zijn vier vocale solisten en een vierstemmig koor, dat bij Händels eerste uitvoering bestond uit 16 jongens en 16 mannen, ontstaan uit de combinatie van twee kerkkoren.
Het orkest bestond uit strijkers, continuo en twee trompetten en pauken. De strijkers spelen regelmatig unisono, d.w.z. allen dezelfde partij. De trompetten treden slechts vier keer op, en er is slechts één aria waarin een instrumentalist (i.c. de eerste trompet) een solopartij speelt. Händels continuo groep bestond uit vier fagotten, drie celli en twee contrabassen. Na de eerste uitvoeringen voegde Händel nog twee hobo’s toe, zonder daarvoor aparte partijen te componeren; zij spelen meestentijds zogeheten colla parte mee met violen en/of sopranen. Met deze eigenhandige, destijds niet ongebruikelijke klankversterking opende Händel de deur voor een verdere opschaling van de Messiah, vooral in de negentiende eeuw; koren van meer dan duizend zangers en orkesten van vele honderden instrumentalisten, uitgerust met hoorns, trombones en tientallen fagotten waren niet ongewoon. Tijdens de Händel Commemoration in 1859 werd Messiah uitgevoerd door een koor van 2765 zangers en 460 instrumentalisten, onder het motto ‘voor Händel is geen koor te groot’. Op het continent vervaardigde Mozart in 1789 een Duits-talige versie (KV 572) naar de eisen des tijds, met fluiten, hoorns, klarinetten en trombones, die met name in Duitsland nog wel wordt uitgevoerd. Ontdaan van alle victoriaanse praal is in hedendaagse uitvoeringen weer Händels ‘yoke made easy and his burthen light.’

‘sacred oratorio’

De Messiah is dus geen kerkmuziek maar heeft een wat ambivalente status, tussen vermaak en godsdienstoefening. Hij werd aanvankelijk slechts in theaters en concertzalen uitgevoerd, ten behoeve van liefdadige doelen en aangekondigd als Grand Musical Entertainment. Messiah vertoont ook de karakteristieke driedeling van Händels opera’s (twee pauzes). Het wordt wel een concert-oratorium of ‘educatief entertainment’ genoemd. Maar toen Händel na de Londense première werd gecomplimenteerd met zijn hoogstaand ‘entertainment’ zou hij hebben geantwoord “My lord, I should be sorry if I only entertained them, I wished to make them better”. De Londense kerkelijke gemeenschap daarentegen zag het uitvoeren van geestelijke muziek in een profaan concertgebouw als blasfemie, en dwong Händel slechts ‘A New Sacred Oratorio’ aan te kondigen, en de titel Messiah te vermijden. Pas vanaf 1750 klonk Messiah ook in kerkgebouwen.
Omdat de ‘verhaallijn’ van de Messiah globaal het kerkelijk jaar volgt (Advent, Kerstmis, lijden, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren) is er geen preferente periode van uitvoering. Op praktische gronden (eind van het theaterseizoen) werd Messiah aanvankelijk rond Pasen uitgevoerd; de nadruk die de tekst legt op de voorspelling en aankondiging van de Messias is vaak het motief voor uitvoeringen in de adventstijd.

Libretto

Het libretto van Messiah heeft een voor oratoria ongebruikelijk karakter: anders dan bij andere bijbelse oratoria zoals Saul, Jephta of ook Bachs Matthäus-Passion (die zes jaareerder werd voltooid) ligt er geen plot aan ten grondslag die Händelende personages in een reeks gebeurtenissen verwikkelt. Er is dus geen verteller (evangelist), solisten vertolken geen rollen die met elkaar in discussie treden, er zijn geen heftige volkskoren (turbae) die actieve groepen vertegenwoordigen, en evenmin bevat het vrij gedichte teksten voor de aria’s. Messiah is dus minder theatraal en meer beschouwend dan je van een oratorium verwacht. Alle teksten zijn rechtstreeks ontleend aan de bijbel, in de fraaie St.James-vertaling van 1611, vergelijkbaar met onze Statenvertaling; er wordt dus alleen proza gezongen. Bijbelse metaforen die de eeuwen trotseerden vervangen hier de tijdgebonden, gezwollen poëzie die we van zoveel barokke composities kennen.
Deze selectie bijbelteksten beHändelt de geschiedenis van de ‘Messias’, Hebreeuws voor ‘gezalfde Gods’, vanaf de oudtestamentische profetieën van zijn komst en de geboorte van Jezus (Deel I), via diens boodschap en het onbegrip daarover, zijn kruisiging, opstanding en hemelvaart (Deel II) naar de betekenis daarvan voor de gelovigen (Deel III).
Tezamen vormen deze teksten in zekere zin een polemisch pamflet dat de ‘andere agenda’ weerspiegelt van tekstschrijver Jennens: hij wil de orthodox anglicaanse geloofsleer verdedigen tegen het opkomend rationalisme van zijn tijd en de daaraan tegemoetkomende deïstische theologie, door het bewijs te leveren dat de Jezus Christus waarover het Nieuwe Testament schrijft inderdaad de Messias is die door de oudtestamentische schrijvers werd voorspeld. Dat heeft tot opmerkelijk gevolg dat ook nieuwtestamentische gebeurtenissen (het leven van Jezus) in de Messiah aan de orde komen in de woorden van oudtestamentische teksten welke als profetisch voor de betreffende gebeurtenissen werden beschouwd. De heilsgeschiedenis wordt dus op nogal indirecte wijze, in niet-verhalende teksten ‘verteld’; Messiah zou daarom voor toehoorders die
de Bijbelse verhalen niet kennen geheel onbegrijpelijk zijn.

Structuur

Messiah bestaat dus uit drie grote delen, die elk weer zijn onderverdeeld in een reeks ‘muzikale tableaus’, die telkens twee tot vier stukken omvatten, en door Jennens van titels werden voorzien die hieronder – ter verheldering – nogal vrij zijn geparafraseerd.
Dergelijke scènes vertonen vaak een opbouw van klein naar groot: van een slechts door continuo begeleid (secco) recitatief, via een, door instrumenten begeleid (accompagnato) recitatief of een arioso (met vrijere tekstbeHändeling en motiefrijker instrumentale begeleiding) naar een aria en meestal eindigend met een koor. De opbouw wijkt trouwens vaak af van dit geïdealiseerde schema; er zijn scènes die louter uit solostukken bestaan, en andere met uitsluitend koren. Ook deze indeling naar muzikale genres is van de hand van Jennens.